169
De zuivere en hooge literatuur-kritiek is als 'n witte vrouw, die gr acelij k en vorstelijk door den kleurig-duisteren dwaaltuin van 't leven gaat, zonder aarzeling, met zwier en blanke schoonheid, en diep in zich bergt de intuïtieve kennis van menschenzielen en levensvormen. De kritiek zou ons weten te verklaren, waarom Van Eeden zooveel ergernis verwekt onder schrijvers vooral. Ze zou iets zeggen in de volgende richting: Van Eeden heeft niets van een lettré. Bij hem komt alles onder de aanzwellende beademing van de Ethiek, zijn ethiek. En nu hebben de moderne sensitivisten, impressionisten en realistische pessimisten aan niets meer 't land dan aan ethiek, vooral de 1'art pour 1'art-scholieren. Die roepen zich maar schor naar zuivere kritiek, zuivere, objectieve kunst, alsof men willekeurig 'n zeker deel van z'n innigst levensvoelen kan wegmoffelen achter geëtiketteerde begripjes en kunstdogma's. Zoo heeft Van Eeden in den kring der neutrale kunstmenschen door z'n ethisch-artistiek ideeënleven groote ergernis verwekt. En later nog, door de genuanceerde soort daarvan, de preekerig-moreele schoolmeester^. Bij Van Eeden is de wijze, goede mensch meer, véél meer dan de artistieke, de lyrische, de in klankschoon-overrom-pelende, de in fijn vernuft schitterende virtuozen-mensch.
In 't eerste deel van De Kleine Johannes openbaarde zich die ethisch-ideale aanleg dadelijk. Dit boekje heeft 'n groot succes gehad; maar 'n niet gering deel daarvan moet naar mode-invloeden teruggewezen worden. Met de ״beelderige," „snoezige," „zalige" „Kleine Johannes" is gedweept door teerhartige en weekgestemde naturen als met een even beeldige Liberty-das. Men dweepte en bewonderde,