168
tóch leven. Hy was door meerderen en minderen met knotsen geraakt; Faguets-voor en Faguets-na, de 1'Académie en niet de 1'Académie... hielpen 'n handje, waar 't te pas kwam. Maar Van Eeden bleef ademen, ademen, en dat, terwijl goed en wel per literair edikt was vastgesteld: Van Eeden is overleden, sinds heden. — Zoo verschalkt de donkere Hein de menschen met z'n lugubere zeis. Er galmde sidderende samenklank in de stemmen der hooge verdoemers: Van Eeden dood 1... en zie Van Eeden leeft... schrijft 'n tweede, zelfs 'n derde deel van De Kleine Johannes. Dat wordt diabolisch! Maar wat mag toch wel de oorzaak zijn van 't feit, dat Van Eeden onder de moderne broeder-schrijvers zooveel haat, zooveel ergernis en spot opgewekt heeft? Met al de voormannen van'80 heeft hij beurtelings overhoop gelegen, of liever, zij met hem. Daar zijn de kemphanen op 'n rijtje: Verwey, Kloos, Van Deyssel, Gorter. En achter dezen staan in potsierlijke strijdhoudinkjes en soms met blikken sabeltjes en stuivers-geweertjes honderden soorten Faguetjes. In deze kroniek kan helaas niet worden ingegaan met bijzondere analyse, op bepaalde letterkundige verschijnselen. Bovendien, wat voor blijvende en innige beteekenis heeft ten slotte een literaire school, zelfs 'n heele generatie, naast de altijd weer alles omwoelende geweldigheid van het groote, massale leven, dat met één zwatelende onweersbui alle scholieren doet beven ? En toch heeft de letterkundige kritiek 'n glorieuze taak. Zij verklaart het diepst-geestelijke leven en de zuivere gemoedsbeweging van ieder kunstenaar. Ze verklaart voor zoover verklaren, ze ontleedt voor zoover ontleden mogelijk is. Maar ze verklaart ook de groote mouvementen der menschheid in haar massaal ontvangen en verwerken van wat haar gebracht wordt door groote enkelingen.