FREDERIK VAN EEDEN. DE KLEINE JOHANNES. (2e en 3e Deel.)
I.
e wereld-literatuur is vol van voorbeelden, waaruit aan te toonen valt, dat minderen dikwijls met grove aanmatiging en stupide betweterij over meerderen geoordeeld hebben; simpele herders, die door 'n grilligen waan de allure van den machtigen Fan aannemen en doen, alsof zij in een schalkschen overmoed mogen stoeien met diens kleurigen satyrs-stoet.
Toen ik onlangs ter voorbereiding van 'ncritische studie, nog eens nalas wat b. v. 'n geëerd, 'n sérieus en verstandelijk hoogst bekwaam man als Faguet, — Faguet de 1'Académie, lezers! — Faguet, de alom bekende kritikus, durfde schrijven over Balzac, draaide het in mijn hoofd met 'n tureluursig gevoel. ״L'homme," zegt Faguet — de 1'Académie wel te verstaan, — „était vulgaire, lourd d'aspect, trapu, grosse voix..." En: „II manquait d'esprit absolument. Sa plaisanterie était grasse et grosse." En: ״Balzac a des idéés de
165