163
werd verstrooid door de winden... was dan hij, Sogol, ook voorgoed verstrooid," enz. — Dat is de doodgravers-philosophie uit Hamlet, wat omgewerkt in -Sogol-Heidenschen-Dageraads-mijmerstijl, maar geheel Europeesch van wereld-weemoed en decadenten bespiegelings-hartstocht. Het zeer droevig bewijs van de onmacht van Canter om zijn held en menschen te laten leven eigen innerlijk léven, is wel zijn ongewild humoristische inmenging aan den voet van verschillende pagina's, met verklarende noten. Bijvoorbeeld. Sogol „mijmert" over de ziel: „Wat was de ziel? Leefde zij zonder lichaam, als een wind of een geur of als een zonnestraal ?" Bij dit gemijmer zet Canter naïevelijk een nootje. „Wind, geur, zonnestraal — wij weten nü dat ze aan de stof gebonden zijn. Sogol kon dat niet weten." Zoo spreekt de heer Canter en beschermt daarmee z'n held! Deze verklarende inmenging aan het eind bijna van 't boek, nadat Sogol zich en ons reeds suf heeft geredeneerd, de naïeve interpretatie; Sogol kon dat niet weten, wij weten betert Sogol die verklaart het wezen der echo, het nief-wezen der geesten, hij kon dat niet weten ?
Arme Sogol snuif /... en ge weet wat geur is ... aan de stof gebonden!
Arme Sogol zie /... en ge weet wat 'n zonnestraal is... aan de stof gebonden!
Arme Sogol hoor! en ge weet wat wind is... aan de stof gebonden!
En zooveel malen snuift hij Ganters, hoort hij Canters, ruikt hij Ganters, plots wordt deze geweldige man zich zijn objectiviteit bewust, verklaart hj plechtiglijk: Sogol kon dat niet weten. Moet hij in dit geval Sogol en Sogol heelemaal alléén zijn!
— Kortzwaard tegen kortzwaard, zou hij Canter