158
van 't voorhoofd, hier dan liggen, een gevoelloos stuk dood vleesch, dat stinkend zou vergaan, weggevreten door wormen en maden, opgelost in een afzichtelijke biei, waarvan de grond de vochten zou opzuigen. Maar dan, langzamerhand zou 't vleesch vergaan zyn en zjjn heenderen zouden bloot komen, uitdrogen en op een dag, wellicht na eeuwen, zou door een toeval een voorbijganger zijn geraamte hier vinden, zooals hij daar ginds bij 't onderaardsche meer de geraamten der reuzen had gevonden. En die levende zou naar zijn doodshoofd kijken en beschouwend staren naar dat bolle voorhoofd, waarachter de gedachten gewoeld hadden en die holle, zwarte oogkassen, waaruit zijn zielsbewegen door de glanzende oogen naar buiten geschenen had, maar ook hij zou voor het geheim staan, voor het zwijgende graf en de mond" ..., enz. — Ik zou honderd zulke staaltjes van zelf-gemijmer van Sogol uit dit boek u kunnen voorleggen. Ik heb hier en daar gecursiveerd, èn om de slappe, slechte en journalistiek-onpersoonlijke kwaliteit van dezen peins-stijl, èn ook om den aard der mijmerijen zelf te doen uitkomen. Tusschen Sogol en Harimona ontstaan nogal eens felle philosofische debatten over het bovenzinlijke van de levensverschijnselen. Voor Sogol zijn de godheden scheppingen van het menschelijk brein, voor Harimona wezenlijkheden die juist het menschelijk brein beheerschen. Maar Sogol dringt door. Zijn het stemmen van boschgeesten welke ge hoort als ik daar in het woud roep ? vraagt hij. Dwaasheid, 't is de echo van het terugkaatsende geluid. Deze ervaring doet Sogol eerst na zeer vele en diepzinnige peinzingen op. — En telkens als hij denkt iets opgelost te hebben, staat hij voor een nieuw mysterie.