150
schemer en nacht, zonnebrand en dagvuur, morgenrood en avondgloor zóó voor ons toovert in dl hun eigene licht-mysteries en toon-pracht, dat wij het zién, zooals zich een lévend woud met él zijn geheimen van duistere tonen en halfschaduw voor ons opent, dan wordt het decoratief; dan krijgen we bosch- en wei-effecten als op coulissen, op een Wagnerschên opera-avond met machinaal-gewekte lichteffecten, ben-gaalsche gloeiingen voor avondpurper, tooneelorkanen-gerucht en gerammel van toonéeldonder. Dan is de fluistering van het avondwoud een sissende stoompomp, gesmoord door een kraantje; dan is het wonder van den oer-nacht schouwburg-halfdonker, en wordt het sterrengeschitter ingeprikt licht in de nauwe eindeloosheid van een geschilderd firmament. — Als de scheppende psychologie niet zoo groot is, in zulk een werk, dat ze het zieleleven dier oer-wezens voor ons verklaart, en reconstrueert tot lévende aandoeningen, terwijl wij toch altijd heidensch sentiment, heidensch denken, peinzen en handelen moeten blijven merken, dan wordt het onwezenlijk afgoderij-gespeel, niet doorvoeld met de fantastische scheppingsmacht van een kunstenaar-ziener, maar verstandswerk van lagen rang, botte saamvoeging van historische gegevens, bonte aaneenrijging van historische documenten nergens v&st aan de allerdiepste, alleen door groote intuïtie te naderen wezenlijkheid van zulk een tijd-gebeuren.
Als het dramatisch scheppingsvermogen niet zóó groot is, dat al de gruwelijkheden onder het wond're licht van éénheids-noodzaak beschenen staan, in den duisterenden, den aangloeienden wisselglans van het tragische leven zélf, dan wordt het griezelige ophakkerij van moord-kronieken; ontstaan melodramatische chimera's & la Politie-Nieuws; dan wordt het ontzet