148
zijn ras, die van een hooger levensplan uitgaan dan de platte grollen en grappen van een d&delijk te vatten geestigheid in andere rassen. Het is de ironie, omwérkt tot vernufts-verwikkelingen, lang niet dadelijk zichtbaar voor iedereen, alleen heel stil en fijntjes te genieten voor den subtielen geest en den hoogen spotter. Het is een geestigheid, werkend als een licht-scherp snuifje op de reuk-zenuwen, aan alle kanten prikkelend, terwijl het een enkelen keer maar het volle nies-genot brengt. Een speciaal Judaïstische scherts, in onbewuste distinctie door rasgenooten verfijnd en in eere gehouden als een soort spiritueele kabbalah. Het is het satyrische spel en de dans van de guitige luimigheid, die als achtergrond toch altijd een thalmudische scherpzinnigheid laat doorschemeren; een soms schuwen bastaard, geboren uit veel weemoed en zelfmijmerij. In weinig verbitterde stemming is Heine er een der geniaalste belijders van. De schetsjes en feuilletons van Ganter staan nu en dan op dien grondslag. Soms oversprenkeld van vernuftslichtjes, dadelijk weer gedoofd in ironische didactiek. Zijn Stichter-schetsjes, dikwijls zeer middelmatig en gezocht, missend de speelsche schakeeringen van natuurlijke gevatheid en ironische geestigheid van andere afzonderlijke opstelletjes, werden gauw gevolgd door een dikken roman: Kalverstraat. Daar leefde wel iets in. De typeeringen waren hier en daar zeer goed, doch de psychologie en de karakterteekening van den schilder en het aangenomen kind der pottenhandelaars, waren van een verbijsterend-valsche, holle romantiek en stijlloosheid, en de figuren zóó ergerlijk onwezenlijk dat ze zelfs voor wassenbeelden — menschen-namaak-sels! — ongeschikt bleken.
Maar op een eigenaardig persoonlijke wijze typeeren kon Ganter wèl en soms bleek de humor daarin