BERNARD CANTER. — GERMANIA.
I.
ij de bespreking van dit lijvige boek schreef een criticus: ״de heer Ganter, ónze Ebers!" De uitroep was ironisch bedoeld en er is veel grond voor deze ironie. Waarlijk, een zeer lastig te qualificeeren figuur is de heer Ganter. Zijn dichterschap, zonder gróote individualiteit, had toch soms iets fijns en droomerigs en kleur-vol-gevoeligs. Zijn journalistiek lag overschenen van een zachten vernufts-glans. Hém was niet vreemd een soort fijne scherts. Hij kon wel niet opwekken den gullen lach; zijn spiritualiteit had niet den zwaarderen klank der grove boertigheid, maar kittelen tot speelsch-éven lachen kon hij wèl met zijn subtiele ironietjes en zijn schalksche langs-den-neus-weggezegde humorderijtjes. In hem was een heel eigenaardig soort „gein," een soort vernufts-geestigheid, welke men wel eens vindt onder stok-oude rabbijntjes, die spreken met zwakke stem, maar in eiken zin een grapje mengen van kleurige levens-ironie. Ganter heeft het vernuftspelende sarcasme en de rake ad-rems van
»47