136
werkelijkheids-verschijnselen. De gansche anatomie van het menschelijk-lichaam is voor een kunstenaar verrukkelijk ter bestudeering. Het is alles zoo prachtig van weefsel, zoo mysterieus van levensbeweeg en van vorming; zoo wonderlijk en onnaspeurbaar fijn van groei. Zelfs sceletten-studie schept schoonheden en vreemde, donkere ontroeringen. Bij de bloemen is er vreemde weemoeds-poëzie in de anatomie van het doode. Als kind al sloegt ge een boomblad uit; 't liefst van een plataan. Ge hieldt in uw hand een trillend geraamte van ragfijne nerven-adertjes. Het bladmoes was er uit geslagen. Maar is er iets subtiel-schooners te bedenken dan zoo'n aderen-blad, blond en doorschijnend en teer als een blanke veer?
IV.
Zoo ook op andere wijze is er een macabre schoonheid in het ontvleesde lichaam, een heimvolle schoonheid in den traditioneelen doodskop, waarvoor ieder toch siddert, in diepste ziels-eerlijkheid, ook al gebruik je hem studentikoos als tabakspot.
Maar gezichten bestudeeren, lévende koppen, dat geeft groot genot. Als ik in een tram of spoortrein zit, dan bestaat er voor mij soms geen gróoter genoegen. Ik onderga dan drie soorten van verrukkingen. Eerst ontleed ik geheel speculatief en zonder eenig empirisch gegeven, voor mij zelf het gezicht in zijn hartstochten-werkingen. Ik wil voor me zelf uitmaken wat iedere lijn of spier verklaart om mond, neus, oog, kin. Dat is de fysiognomische ontleding die vooral hartstochten-eigenschappen groepeert en mij, geheel subjectief natuurlijk, van het innerlijke leven dezes mensch's, verhaalt. Dan zie ik de bizondere