134
in zijn duisterende curven. Dat geheim van zich ver* diepende schaduwen, achter iedere lijnvorming, hoe verrukkelijk heeft b. v. een Jan van Eyck het niet gevoeld in zijn kanunnik Joris van der Palen. Neem den enkelen kop van dezen donateur. Is er ooit grooter psychologisch wonder gewrocht door menschen-handen? Dat hoofd is alles: een gewelf van diepe denkgeheimen en een oogen-begoocheling voor wie meende dat het psychische leven in een kunstwerk niet opperst kon worden gevat.
Wat wonder is niet de studie van het oog, met al zijn spiervertakkingen in het vleesch, zijn kringaderen en ragfijne etsigen uitgroei van groefjes en lijntjes. Zie alweer naar den enkelen kop van kanunnik Van der Palen. Wat heeft Jan van Eyck van die oogen gemaakt? Ik heb dit portret op mijn kamer hangen, vlak voor mijn schrijftafel, en altijd, altijd weer sidder ik voor de uitdrukking van zoo'n menschenleven. De oogen lichten met een kijkkracht en een vaste, indringende hevigheid die je verbluft. Zie je 'n paar minuten lang naar dien kop dan zal je het wonder geschieden: die mond, die zware, zwijgende mond, die dreigende lippen, die den levenswil samenpersen tot een ondoorgrondelijke psychische kracht, die mond spreekt latijnsche woorden, vroom van klank, maar geweldig donker en dreigend van somberen magistralen ernst. En dan, d&n, wat er om de oogen is geweven ? Dat is op zich zelve een psychologisch drama. Dat schrikkelijke, trillend van machtige levenskracht door-stuwde aderennet bij de slapen, met de smartelijke ingroeving van iederen vleeschelijken rimpel een weefsel van trekjes en groefjes en spierkronkeling, het gansche levensgeheim van deze ziel onthullend. Vooral die slapen met hun kloppende bloedstreek, waar doorheen 't dadelijke denkleven trilt, zijn ge-