133
gansche natuur nog voor geen tiende in zijn tegen-woordigen arbeid is uitgesproken.
Wat men nu vooral in Spoor kan zien is zijn knapheid, maar pas op, een knapheid, die weer heel anders aandoet dan bij andere ״knappe" teekenaars. Laat ik u meer van deze ziel schrijven, want ik kén Spoor, als mensch, als voeler, als zéér hartstochtelijk, zeer vurig voeler, die onder den koelen schijn van zachtheid en fijnheid en academisch ceremonieel een diepe brandends gepassionneerde levenshevigheid geborgen houdt.
Wat collega's, de minst afgunstigen althans, in hem waardeeren zullen, is zijn innige, rustige minutieuse werkernst. Hij geeft zich niet over aan moderne flodderingen en impressionistische toevals-kunst. Hjj weert vlagen en luk-raak gróótdoenerig en dik-opge-legd breeddoenerig geborstel. En toch voelt hij innerlijk breeder en dieper dan menige coloristische blaag, die met geringschatting op zijn studieuse „peuterigheid" zal neerzien. Hij wil niet in namaak-delirium van Vincent van Gogh vervallen, al bewondert hij Van Gogh ook buitengewoon. Neen, Spoor wil werken, serieus, met een liefde voor het vak, de techniek, en een geheiligd geduld, gelijk de verbluffend-begaafde Ouden die bezeten hebben.
Men kan het ervaren; hij heeft dagen achtereen, nä volbrachte academische opleiding, toch nog maar altijd weer enkele ooren, geteekend en geschilderd, enkele oogen, neuzen, handen, monden, armen. Er moet ook een goddelijke voldoening liggen in de fijne studie, de nervige lijn-anatomie van een oog bijvoorbeeld. Hoe mooi, hoe geheimzinnig van lijn is zoo een oorschelp gevouwen. Wat prachtig is de lijn-kromming van buitenrand naar binnenrand, en hoe mooi weer de wegbuiging en omrandingen van oorholte