132
hebben mij zoo stil en aanminnig toegelachen, en ik heb al maar door gulzigend genoten van hun argelooze kijkerijtjes, hun innige onbenulligheidjes, van hun overtollige spraakjes en woordvondsjes, van hun knussige drukte en heerlijk-naïeve gewichtigdoenerij.
Als een schilder zoo iets in mij vermag op te wekken dan heeft hij veel eigens en moois. En dat zeer eigene heeft Spoor beslist.
Laat ik er dadelijk aan toevoegen dat er nog niets is dat groot werk kan genoemd worden. Het beste van zijn teekeningen is alleen mooi in de sfeer van het subtiele, het teedere, het verinnigd-zacht-vrouwelijke. Het groote, waarin héél z'n ziel, en al de hooge verrukkingen en brandende zwijmelingen van passie en ontroering zal zijn uitgesproken, moet nog komen. En ook het diep-schrijnend-psychologische is er nog niet, het verwerken van zijn levenssmart en levensangst en levens-tragiek. Men versta mij wel. Niet is het noodig dat een kunstenaar onstuimig werk moet geven om groot en breed-van-visie te zijn, noch hoeft hij ons met zijn brandende zwijmelingen en hooge geest-verrukkingen te overgieten in een ongebreideld lyrisme. Ook in de stille, contemplatieve en rustige bezonkenheid, kunnen de donkere troebelingen van alle hartstochten opgelost zijn. Wie onzer bewondert niet de heilige rustigheid van een Van der Meer'sch meisjeskopje, de rust van een Holbein in zijn eenvouds-scheppingen? Maar ik bedoel hier dat de ziele-staat van Spoor is een vurige, zeer hartstochtelijke, en in schijn slechts bedaard en geserreerd. Zijn psychische krachten worden door een veel hooger aesthetische wilswerking beheerscht dan door het creeëren van ״lievige" portretten alleen. En wijl deze psychischorganische kracht in hem werkt, zeg ik dat zijn