131
in een onnaspeurbaren volgreeks van gedachten op Spoor, wiens werk ik één dag daarvoor gezien had in Arti.
II.
Nu ja, van het wonder-mooie in Valesquez moet ik nu maar niet spreken. Dat zou zeer onbillijk zijn jegens Spoor. Elke vergelijking tusschen een jong, groeiend kunstenaar, en een classiek genie is uit den booze. Vergelijkingen in 't algemeen, tusschen iets dat in een groei-, een wordingsperiode verkeert, en iets dat reeds uit leefde, leiden tot niets.
Het werk van Spoor heeft een bizonderen indruk op mij gemaakt. Ik ken onder de jongste school-schilders geen talent dat zoo frisch en innig, zoo argeloos en subtiel voelt en uitbeeldt als deze man. Bij de meesten is er wel gedurfde grootheid-nadoenerij, maar alles toch oversmoeselt door zwaar, onbeheerscht, ruw impressionisme; of zijn tegendeel: duf academisch gedoe, dor en zielloos. Het troebele en onklare, tegenover het peuterig-academische en burgerlijk-schoolsche, kon het voor enkele momenten winnen, beide uitingen van kunst brengen ons geen ontroering. Spoor nu heeft al dadelijk iets in zijn werk dat vasthoudt, ontroert en op gansch andere wijze gewaarwordingen van schoonheid wekt dan dat gewoonlijk het geval is. Het is de fijne psyché van zijn werk, het dadelijke gevoel dat hier iets lééft!
in.
Ik heb al zijn geteekende kinderkopjes weer voor mij gehad, dien avond van m'n zwerftochten, en ze