130
geleek op den Corriaanschen idioot van Velasquez, en één op zijn Menippus, maar vergramd en verwoest de tronie van koortsig uitteerende speel-liartstochten. De idioot-kop vooral wou dien avond niet wijken voor mjn gezicht, met die schrikkelijke, waanzinnigbewusteloos, naar binnen starende oogen. Als van een blinde die tóch schimmen zag in 't leven, zoo staarde hij. En dan op het bakkes, het vreeselijke platte, zinlooze bakkes, een lach zoo verdierlijkt en onbeheerscht, zoo vreemd-van verbijstering en woeste verwrongen wulpschheid, die weer wégdruilde achter verkindschte, logge, aap-gebaren, dat ik ze nooit, nóóit vergeten zal.
En toen den kop van Menippus, enorm van cynisme, en satanische macht, woestheid en spottende overmeestering. Een volksmenippus die met iedereen sprak als een half-geworgde mephisto, 't gezicht half-afgewend, de oogleden tartend en uitdagend even saamgeknepen en den rug dwars naar zijn slachtoffers toegedraaid. En een geweldige flambard schuin-slap over de sar-oogen heengetrokken tot bij de diepé groef van de neus-inplanting. Een kop in schriklijke sjofelheid, spottend met eigen en andermans misère, zoo helsch-cynisch, zoo wrang van sarcasme, in-bijtenden haat en verachting, dat ik ook daarin telkens de schepping van Velasquez terug zag, maar somberder en heviger van contour. Na deze figuur, als een vergroeide schepping van den grooten Spanjaard, zag ik den heelen Velasquez weer voor mij, met zijn prachtige kinderportretjes, psychische levens-tegenstellingen en verrukkelijke objectivaties van het demonisch-sarcas-tische naar het ontroerend-argelooze. Tóen dacht ik aan Carrière, met zijn visioenaire kinder-leventjes, dróóm meer dan lijn-realiteit, vaag gepeins over de kinderziel méér dan kinderportret zélve. En toén,