122
voor u zit, die mystieke twijfelaar met symbolen van goddeljjken oorsprong in de band, de oogen verdweept naar den kemel, is Couperus. De kluizenaarsachtige peinzersgestalte zoekt naar een hut, naar een dik geel boek, naar een doodshoofd en een onsterfelijken glimlach. Attributen yan ascetisme, decoratief opgesteld. Nu heeft hij gevonden! Zijn sceptisch lachje speelt nog even schuw als een trek van zachte, voldane levens-geheimenis om zijn mond. Draai u nog eens om, en ook die vermomming goochelt hij zich van het lijf. Nu staat hij voor u als de verfijnde realist. In alles dilettant. In de mystiek gaat hij niet verder dan tot het dragen der symbolen; alles uiterlijk. Hij vertheosofeert zich in 't blauwe genevel van bovennatuurlijke droomen, als in ״Over lichtende drempels," maar wanneer 't al te Faustachtig in zijn brein gaat spoken en de duivel hem te dicht de hielen kittelt, dan lacht hij nerveus, gejaagd, zegt hij tot 't publiek, in angststemming gesuggereerd door zijn eigen lugubre bangmakerijen, dat hij slechts sprookjes gaf en volstrekt geen esoterische wijsheid wou bewierooken.
Ik ken een heel lief kind, dat in waren hartstocht zich in allerlei gestalten metamorfoseert naar eigen inbeelding. Dan is het soldaat, dan weer koetsier, dan zeeman, dan torenwachter. En telkens, bij iedere wisseling van persoonlijkheid, wijzigt het zijn woorden en zijn visie op de omgeving. Dan eischt het ook van zijn ouders een volkomen vervreemding. Men moet hem aanspreken, alsof hij een echt zeeman was, flink, stoer, vast; of als een torenwachter, geheimzinnig en half-fluisterend. Komt dan de realiteits-indruk over hem en wordt zijn voorstelling zoo lévend, dat hij zichzelf voelt torenwachter of zeeman, dan verliest hij meteen zijn gezicht op de wezenlijkheid