120
de met eigen taai-charme grovelijk coquetteerende Couperus, die zelf zijn taaiwratten met patsjoulie besmeert. — Men moet eigenlijk de Couperus-ziel, de vrouwelijk-fijne, verweekte en teedere, door zelfbespiegelingen en zieke eenzaamheids-koesteringen ondermijnde natuur, streng afscheiden van het Couperus-intellect, dat met groote handigheid situaties en figuraties uitdenkt, pronken en oreeren laat en in een schemer van halflicht den weemoed van een binnen-in diep schreienden Paljas na-aapt, zangerig en wanhopig, en het publiek suggereert, dat hij lachen en schateren kan op 't moment, dat van innerlijke smart zijn ziel stil kreunt. Het is de pose van het intellect, dat de naïeve ziel verschalkt, een verfijnde simulatie van het mercantieele bewustzijn eens groo-ten romanschrijvers.
Want juist al zijn literaire metamorfosen corres-pondeeren op dat mercantieele bewustzijn. Afwisseling is een levensvoorwaarde voor een auteur, die zóó altijd schept uit één maatschappelijke sfeer.
Zie hem dus plots verschijnen als 'n dandy, hinkend op de sandalen van Hamlet. Wee hen, die 't metaphysische bedrog niet zien en amandelgebak voor ambrosia houden. De glinsterende woordtumulten, die hij rondom zich kringt, verbergen een wijle de voosheid der diepere natuur. En zijn impressionistisch raffinement, dat in hem door de jaren tot een soort taai-eigen geworden is, misleidt nog meer. — Hij is lokvink, van verre, een zoet-zilveren fluiter, maar wreed is de hand voor de vogeltjes, die zij in 't net vangt.
III.
Couperus heeft allerlei tegenstrijdigheden in zijn £jel en in zyn werk. Zyn verzen b.v, toonen u Cou-