119
grootste kunstenaars. Kent gij Kreisler's vioolspel? Een bedwelmende, streelende, zingende toon van wondre menschelijk-smartelijke stemmenvolheid; een geluid zoo weenend en onzegbaar droef, dat het u een snik wringt uit de keel. Als hij u 't Andante van Beethoven's Concert speelt, dan weet ge eerst wat er uit een duisteren verren hemel voor wondre smart op u kan neerdalen. Dan voelt ge eerst, wat 't zeggen wil, de ziel uitschreien in ontroering voor zoo'n zang-mysterie.
Zoo'n toon heeft Couperus nu soms ook. Werkelijk, buitengewoon mooi.
Maar wat Kreisler bijna altijd heeft, dat is er bij Couperus een dood enkelen keer. Het is de streek van een opperst-geniaal virtuoos, maar telkens in onmacht gebroken. De aanzet is soms heerlijk. Nu denkt ge, dat 't zwellen gaat, dat 't kómt, maar er komt niets. De toon integendeel verzwakt, verzoet, verweekelijkt, maar wat de aanzet beloofde, is nooit gekomen. Men zou zeggen, dat hij bedwelmd raakt onder de pijnlijk-overgevoelige verfijningen van zijn eigen virtuositeit. Men zou zeggen, dat zijn zenuwbroos gestel geen uithoudingsvermogen heeft en dat daardoor zijn techniek zich vertroebelt in weeke trucjes en zoetige woord-glijerijtjes. Maar ik voor mij voel, dat het hem heel dikwijls ontbreekt aan diep-innerlijk leven en psychische macht. Naast regels of stukken zinnen van heerlijken klank en beeldende vastheid, geeft hij heele pagina's van valsche gevoe-lerigheid en weeë woordweeke voosheid. Dan is alles in hem koude, berekende, fatterige woordpraal; dan is iedere pagina een banaal vuurwerk van woorden. Dan bluft en jongleert hij met zijn roode, gele en groene lichtballetjes, met zijn feërieke pluimen en veeren, met zijn knalpijlen en sissers. Maar dat is