118
is ziel, ziel direkt, gevoel, leven, hoogste uitgroei van de zangziel. Stijl is geur, klank, bloed, zweet, angst, geluk van lichaam en ziel. Niet groot stylist is hij die woordpraal of woordsoberte heeft, maar groot stylist is hij, die in woordschoonheid ziel, ontroering geeft.
Zulk een stylist is Couperus absoluut niet. De woord-wellust van Couperus is niet het bloed, de geur, de klank, angst en geluk van lichaam en ziel dooreen. Het is dikwijls een verwilderde virtuositeit, klankobcessie van een overspannen brein, woordge-stotter van een voor een deel geparalyseerde verbeelding. Soms schrijft hij in een cantilenischen taalroes, in een rhythmisch delirium; vooral zijn fantastisch proza. Maar ge hebt er geen idee van, hoe hevig-bedriegelijk de obcessieve klank der woorden soms emoties nabootst. Er is wellicht geen tweede voorbeeld onder de auteurs, in wier werk zoo strak, stroef en combineerend-bewust het hatelijk-nuchterst verstand meespreekt in den opbouw van z.g. schoone en architectorale zinnen als bj Couperus. — Soms schrijft hij als een schooljongen, nonchalant, gebrekkig, is de slechtheid van zijn woord- en zinsvervoeging en de constructie van zijn periode van een ontroerende naïveteit. Men voelt, dat hij de woorden, de klanken, de geluidreeksen maar neersmakt, zonder er ooit meer naar om te kijken. Wat eenmaal staat, blijft staan. Als er maar wat in opgenomen is van zijn ontroeringen, visioenen, affectatiën en mooidoenerij-verlangen. In zijn kleurige, brandende, dadelijk te boek gestelde, te binnen geschoten expressies gaat het daar streelen en fluweelen, zingt ons een zoete klankmolligheid de ooren in. Dat is het weeke taal-sensualisme van Couperus' proza en zeggingsmanier. In den toon, in de klankvorming ióts van de aller-