120
sensationeele ziel. Grillige hysterische levensgebrokenheid van zenuwzieken nog meer. — Vraag me niet, of hjj met zjjn melodramatische verwikkelingen bóven de scheppende fantasie van een redacteur van PoliceNews uitgaat. Drastische teekeningen hebben ook hun waarde. Toch leeft er een stuk Poë in hem, zooals er van alles wat groot en somber, wat pralerig en affectueus is, iets in hem leeft. Daarom blijft het zoo gemakkelijk over Couperus luk-raak te schrijven, wat langs den neus weg te leuteren van zijn ״grootmeesterschap" of zijn „kranken bombast." Men kan den ganschen Couperus alleen recht doen in een diepgaande, vergelijkende, zeer analytische studie, waarin bewondering voor zijn soms geniaal kunnen zal moeten uitgesproken worden naast afschuw voor zijn vele en velerlei artistieke mislukkingen. Want — is 't niet werkelijk merkwaardig ? — ook uit een boek als „De Berg van Licht," zou men weer mjt evenveel gemak kunnen bewijzen, dat hij nu en dan een schitterend woordvoeler, een taalkolorist is als weinig anderen, en tegelijkertijd een volkomen machtelooze woordfabrikant, die gewetenloos knoeit en bederft, die door afgrijselijke woord-effecten en eindeloozen bombast zichzelf tot taai-waanzin tolt in de kolken en schuimwentelingen van zijn warrelende visioenen. Men zou kristalklaar kunnen bewijzen, dat Couperus eigenlijk in den hoogeren zin geen stijl heeft, gelijk de heer Veen in „De Hervorming" zoo juist en zoo zuiver opmerkte. Groot stylist is Couperus stellig niet, als men tenminste onder stijl verstaat wat daaronder alleen verstaan mag worden : het innerlijk schoon van de gansche persoonlijkheid. Stijl is, schreef ik, het binnenste leven van den schrijver, de dichter-ziel. Stijl is léven, direkt leven, maar 't mooiste, 't hoogste, de subliemste uren daaruit. Stijl