116
fopt allen I Niet het afschuwelijk immoreele van de beschreven tafreelen mag uw oordeel teisteren en benauwen, maar alléén de wijze, waarop de schilderende en dramatiseerende en visioenaire kunstenaar Couperus dezen ontzaglijken heidenschen tijd in beeld gebracht heeft, dient uw aandacht te binden.
Couperus' Oostersche passie en uitzwervende fantasieën stonden bijna altijd gedoopt in de wondre weerschijnen van orientale sensualiteit. Als bij Shelley de roos geurt, dan bloeit ze bij Couperus. — Het zijn twee essentieele zielestaten; de verhevenheid, de blonde, blanke, stille en majestueuze verhevenheid van Shelley, de goddelijkste ontroeringen en de diepste ziels-schokken van zijn hartstochtelijk hart, toch altijd hoog en van een kuische heerlijkheid; de zinnelijke, de zware, troebele, zichzelf verterende, wegschroeiende oriëntale heetheid van Couperus, zwoel van passie, aangehit van benauwings-gedachten en Oosterschen wellust. De zwoele, stormende en met zware, broeiende hartstochten belaste fantasie van Couperus ging altijd naar het helle, het klaterende, het fonteinig-uitzwierende. Altijd leeft er in hem een regisseur, die zijn tooneelmatige melodramatiek met één slag overziet en in mis-en-scène zet.
Voor hem is het groote spel der avondwolken in eindloozen hemel een trillend decors. Hij moét decoratief kunnen opstapelen; menschen en tijden dooreen. Als hij niet een firmament met goudlicht-verkwanselende sterren kan verwentelen, dan leeft hij niet gelukkig, en als zijn symboliekerige wijsheid niet door een stikduisteren nacht van beangstigende geheimen kan gaan, dan voelt hij zich niet op zijn gemak. Het moét spoken en windloeiend beangstigen. — Schuwe geesteszieken hebben macabre bekoring voor zijn