71
Zij neuriede pril tusschen de tanden een Chat-Noir-cabaretwijsje:
J'suis républicain, socialisse, Compagnon, radical׳, ultra, Révolutionnaire, anarchisse Egcaetera, egcaetera!...
Zij bleef, al poederend en spiegelend, schateren, overmoedig doorschimpen en kwastte het branderig-opgewonden, brutale snuitje nu meelwit. Zij bestoof haar hals; het dampte krijt rond haar wit-voile jurk. En zij eindigde met een vollen uithaal... nos jungit amicitia, tusschen de incarnaat-geverfde lipjes.
Klop klop... klonk weer gedempt, dof, achter de zware portière. Zeven nieuwe gasten stapten binnen. Voorop Piet Huygens, een jong schilder, ultramodernist, in geribd-fluweelen wambuis; ook wel Piet-hiettede-die genoemd. Zijn geestige, violetglan-zige oogen flikkerden onbeschaamd. Het stroogeel borstelhaar stond als pieken overeind. Zijn roze, vleezige varkens-wroetsmuit met rond-open neusgaten, snuffelde onrustig. Hij had den dood aan huilebalken, rot-melancholieken en traditionalisten.
Minnie Halbersma, terwijl zij haar helblond bobby-kopje opnieuw wild uitkamde, snauwde gillend uit haar crapaud, naar den kunstschilder toe:
— Achterlijk, Huygens!
— Wat?
— Jij, met je ״artisten"-fluweel en je „beeldende Idee"... Ik zeg maar... Piet-hiettede-die is de Rector Magnificus van de ververs!...
Huygens knipperde het linkeroog; spotte, in zijn sas:
— Zwammerij, funest,...... goudlokkige juffrouw
Epidemiologie!... Kies jij maar tusschen koolzuulr en zuurkool! En... en kalmeer je op den schoot van je Danton!