70
Een •hoonende gierlach scheurde.
— De Pragmatist!
Jacob Andriessen, uit een donker hoekje, riep wieek, haperend:
— Man en vrouw!
Zwaarmoedige oogen lichtten.
Minnie ontwoei de blonde haren en bejeukte de gezichts-puistjes. De doorzichtige sluiervoile weer in beweging. De kwellend-hooge stem kreet:
— Wég met , ,meisjes' '-studenten...... Gelijke
nonnen gelijke kappen!... Werpt woekerwinsten af!...
Stemmen overrompelden elkaar...
— Io Vivat!... Io Vivat!... Nostrorum sanitas!...
— De Vijf Faculteiten...
— Moei houwe!
— Hoe est amoris...
— Bek houwe, pummel!
Minnie's lachgil overheerschte alles,
— Bravo tegen de prollen!
— Bravissimo!
— Reuze...
— Wie logeert er in de Zwartehandsteeg?
— We zullen die ouwe ramenassen, die pachydermen, effetjes villen op 't Corpslustrum!...
— Hoe ac!heman׳t!
— Dat heb je van Lector Pruim...
— Of uit Hegel's Logica!...
Branders, Minnie's ״beminde", brulde.
— Leugen!
Minnie, uit den crapaud, viel schimpend naar hem uit:
— Hoor mijn „galant" zinvol balken!... Gek type, lui! Chronische ontsteking van de lachspieren!...
Spiegeltje en donsje doken uit haar tasch op. Minnie's gebaren doorsneden hoekig-woest de lucht.