66
Minnie, schijn-minachtelijk riep:
— O jij Herr Hauptmann?... Moei houwe, zwamneus... Leidsche spoelhond... Doloris est antidotum!......
Gezang, opgewonden lachgil...
— Hoe vindt jullie dat zalig Septemberweertje,
lui? Bijna October!...... De meteorologen van het
Athenaeum voorspelden: paraplu's... Laat ze dood-waaien!... Al vij fduizendzeshonderd-tweeënnegentig
jaar lang vergissen de heeren zich verkeerd!......
Marasmus... je reine marasmus!... Onderhuidsche inspuitingen, dertig gram morphine minstens!...
Minnie sloeg woest haar jurk op en zakte ademloos in een grooten, grijzen crapaud. Eén seconde stilte. Toen, schril weer:
— Een reuze-uitzicht, Ur... Als ik zoo'n Pipa had, die me zoo iets plofte, nou... dan wist ik 't wel, jog!
Een Zionistisch student trad binnen, Jacob Andriessen. Zijn groote, kwijnend-zwarte oogen slurpten licht. Teringachtig-mager schrompelde het broze, kleine lichaam saam.
Uriël begroette hem vluchtig en de Assyrisch-opgekrulde lippen van Jacob mompelden iets schichtigs terug.
Zwierig-besluierde Minnie rumoerde aanstellerig voort; gilde dunne zinnetjes, dikke zinnen, slingerzinnetjes uit, doorknoopt met bijzinnen, weer losgerukt door caricaturale afkortingen en dwarrelende conjuncties. Zij hijgde, proestte, al maar vragend en ieder antwoord straal negeerend.
Plots sprong Minnie uit den crapaud op en manoeuvreerde ongegeneerd met haar vaag-doorzichtige, wit-voile japonnetje door Uriël's kamer. Snelvuur, machinegeweer, zoo ratelde zij af; alles vlak achter elkaar, onder zenuwachtig-schel lachen. Tusschenin-schreeuwers, twee toosters holde zij ruw omver.