52
cielen, onmachtigen en koude-drukte-makers; alleen opgeblazen ijdeltuiten, boosaardige knoedels, ziek-afgunsfcige paranoïa-lijders en inwendig-verzweerden; dolle verpletteraars, grommend uit wellust en ziedend sadisme, die zelf het leven tot een grof kijkspel, dansspel en wassenbeeldenspel verlaagden,... die zouden hem altijd even onverzoenlijk in afkeer en walg, als vijand ontmoeten.
II.
Het laatste jaar was Uriël benauwend-stil in huis geworden. Nog veel zwijgzamer, onbestemder en zwaarmoediger dan vroeger. Het trof zelfs Henri Rozenheim, ondanks mildlooze aandacht; mildloos, wijl heelemaal door de vernietigings-crisis in het ״vak" opgeslurpt. Mama echter, kon er niet van slapen. Zij probeerde Uriël langs allerlei wegen iets te ontlokken, maar hij zweeg hardnekkig. Vreemd, heel vreemd en verontrustend. Wat deed de jongen nü voor een pruik op?
Esther maakte zijn gedrag dol-zenuwachtig. In haar woeldroomen zag zij Uriël telkens met groote gele schrikoogen op haar aanrennen. Zij herkende haar schuwen, toah altijd hoffelijken en luciden jongen niet meer. Zij had in dezen verstikken den zorgentijd Uriël's genegenheid en kinderliefde dubbel noodig. Voelde hij dan geen zier voor den bangen toestand van Papa, nu hun heel hebben en houden bedreigd en op het spel stond? Na het gebeurde, tijdens het feest, ruim een jaar geleden, scheen Uriël totaal de kluts kwijt en besprak hij ook met haar geen enkel persoonlijk-vertrouwd ding meer.
Bijna hostiel, zwijgzaam en minachtend scheen hij zijn moeder toe. Een enkel keer krenkte hij haar zelfs met galgenhumor.