•430
skelet omhelsde. Maar Reintje was niet liefdeziek. Zij bleef koud, scherp, afwijzend. Hij en zij deden heel anders dan andere zij's en hij's in zulke uren. Hij was advocaat, vertelde hij. Meester Duprez was zijn naam;
woonde in Den Haag...... qua talis!...... zei hij wel
honderdmaal. Hij hield van een Pelléas-en-Mélisande-sfeer of van een klucht van Klabund, lispelde hij. Hoor hém,... monnikenlatijn!... Zij begreep van die kwiebus zijn gepruttel geen snars. Kwatsj... betaal es... of kwetaal es!...
Een week lang kwam hij Reintje Plukker iederen avond bij ״Palace", „Chez Gaston", „Willy", „Scala" of „Omnium" opzoeken en liet haar roode rozen brengen. De kerels, in livreigoud, bogen diep voor Reintje's muurbank. De violist blokkeerde haar tafeltje en speelde onder haar gezicht week, valsch, geil, lieve-lings-melodietjes. Sentimentaliteit tegenover kilheid, spotte hij. Zij keuvelde met een danseur en een bokserportier in zijn opgetooide vestiaire-hokje, en zij dronk Voorburg en whisky-soda. Zij liet zich nooit door Duprez thuisbrengen. Hij drong ook niet aan. Want van zaniken werd ze woest en ruw.
— Waar ga je heen?...
— Betaniedwarsstraat, palinkjes rooken...
Ze gichelde; haar mondje lachte; een bloedend, week vruchtje.
Reintje stapte alleen weg, tusschen het nachtelijk Rembrandtplein-gewemel. Zij hield van het Plein en van al de geparkeerde auto's om Thorbecke's standbeeld en het plantsoen...... De gloeikleurige Bar-
reclame-transparanten, lokten haar altijd. Zij vond het zoo echt melodramatisch, en zij werd zoo lekker jaloersch. Het geraas en claxon-getoeter van aan- en wegrijdende taxi's, verdoofde haar. Alles was er schel, verblindend, rumoerig, en geleek een dwaas schimmenspel van jachtende, lallende of slenterende menschen.