•428
van wezen. Zij sprak nu scherp, schel, sarcastisch, als een onbekommerde durfal, die maling had aan het hoogste en het laagste. De hei-tintelende oogen daagden uit. Messenglans glom en flikkerde er heet in. Zij richtte zich slank-lenig en uitdagend overeind. Zij liet haar korten rok om de brutaal-slanke kuiten waaieren. Zij genoot van haar eigen uitdagend-zinnelijke mooiheid...
— Ik hou nou eenmaal van keet, Bekkie...... Wat
v/eet jij nou van 't genot... als je champagne in koelemmers ziet staan?... En dan kankeren... iedereen maar kankeren... keet... en champie!...
III.
Rebecca herkende haar nauwelijks. Zij vond haar verfoeilijk zóó!
Reintje vertelde, met schelle, zelf-opzweepende drift en soms dwaze geheimzinnigheid in de stem, dat zij een maand geleden kennis had gemaakt, in een bar, met een schatrijk, jong, gentlemanlike advocaat; heel knap om te zien. Op het Thorbecke-plein, bij ״Gaston", was de pret begonnen. Zij had zich dien dag weer heelemaal nieuwe wenkbrauwen gesclhilderd en de wimpers omgekruld als grijptangetjes. Een troep misdadige zwabbers en souteneurs had gevochten. Politiepetkleppen glommen in den halfrooden café-schemer.
Reintje zat vlakbij een raam, achter zware donker-bloedroode gordijnen, te rooken, doodkalm. Een monsterlijk-zwaarlijvige lichtekooi, twee tafeltjes verder, knipoogde haar quasi-schalks toe. Reintje genoot tusschen brullende herrie, vloeken, dronken geschreeuw, den muziekzwijmel, het heete gewoel en tierend gewemel rondom. De jonge advocaat was aan