•427
zoo... halfschreiend. En al die afgebrokkelde zinnetjes uit het fijne mondje... Rebecca kende haar eigen verleidelijkheid niet! Gek...... zooals Rebecca het geval
bekeek, zoo had zij het nóóit gevoeld... Het ergste, het naamloos-wreede vond Rebecca den doodsangst in moeder Lindbergh, dat baby niet meer terug zou keeren; dat de roovers uit haatwrok, woede, ontgoocheling, het kind zouden kwellen of ombrengen. Rebecca begreep, dat moeder Lindbergh wel de hééle wereld zou willen afkoopen; zou willen bedreigen of schrik-aanjagen, om toch maar haar kind terug te krijgen. Al leek het nóg zoo dol-egoïstisch, het was toch menschelijk en begrijpelijk van de ineengestorte moeder... We waren toch allemaal maar laffe menschen, vol zelfzucht...
Zoo, in deernis, verbittering en smart sprak Rebecca, opgejaagd, door instincten van eigen voorvoeld moederschap gedreven; deernisdiep gegrepen door het martelend lot van een geslagen smeekster. Rebecca bad, verborgen, iederen nacht, dat de goede God het wicht zou laten ontdekken en dat de moeder in God's almacht zou gelooven. Want dié vrouw mocht zichzelve niet pijnwringend verscheuren in eigen angsten. Zij mocht het niet veronderstellen, in een soort van krampachtig-hypnotische overgevoeligheid. Dan zou die vrouw stapelgek worden. Dan begon de spanning telkens opnieuw te martelen...
Rebecca werd hevig opgewonden. Zij zag niets meer, hoorde niets meer. Het goudglanzige vuur in haar goudduistere oogen brandde oneigenlijk.
Reintje schrok van haar exaltatie; bracht haar met moeite, heel zachtjes tot bedaren. Zij bood Rebecca verschalkend, een cigaret. Rebecca weigerde, met een wonderlijk-zachten glimlach. Zij rookte nooit... Toen hernam Reintje haar plaats. Zij moest Rebecca iets ״geks" vertellen. Reintje veranderde weer heelemaal