424
vroeger in het donkere keukentje, dat zij er zelve onder verloren raakte. Zij sloot haar oogen stijf dicht, onder het luisteren en zag alleen den koortsigen jubel in Uriël's blik; de pijngroeven in Josua's vermagerd gezicht. En zij verrees tusschen trouw aan vader, trouw aan Uriël...
Uriël's liefdewoorden doorruischten haar bloed; vader's beefstem doorkerfde haar hart. Zij wist zich niet meer te wenden.
Ook in Rebecca tooide zich een geïdealiseerde droefenis, die geen anderen uitweg wist dan ónder te gaan in den zang. Zij zag zich dolen door een duister gewelf. Maar zwijmelaar Tauber zélf en zijn sleepend-weeë liedjes, lieten Rebecca geheel onbekommerd. Zij doorleefde aldoor het smartelijke kwijn-verdriet van vader Josua; zijn zwijgende afsaheuring van alles; zijn al nijpender eenzaamheids-gevoel. En daartusschen, het meisjesreine hunkeren naar Uriël, naar heel zijn mannelijk-jeugdige wezen. Het hunkeren ook naar al wat zijn stil-lichte oogen haar aan geluk beloofden...
Toen een ander nummer door de radio klonk, was voor Reintje het nachtelijk geheim van haar opwinding weggewisdht en rukte zij den stekker het toestel
uit...... Toen riep zij naar Rebecca iets quasi-deel-
nemends over het ontvoerde zoontje van Kolonel Lindbergh, terwijl zij uit een kristallen flaconnetje wat seringengeur rondsprenkelde.
Reintje begreep niets van die aartsstomme politie, die zich zoo-maar door een stel liederlijke bandieten bij den neus liet nemen. Zij zou... zij zou, in haar sadistische drift, die smeerlappen wel kunnen ranselen! Zij s-poog schimpscheuten uit. Reintje werd ineen weer de gevaarlijk-opgewondene, de dronken, ontuchtige hunkeraarster naar vechtpartijen en naar erotomanische overweldigers. Het hysterische bloed