421
lensnoertje, op het perzik-fluweelen boezempje. Zij weigerde alles, alles! Verstond Reintje dat? Zij begeerde niets van hem, en ook niet van haar...
Vuriger en heftiger nu, sprak Rebecca door. Haar schuchter gezichtje gloeide van opwinding. De lange wimpers trilden. De glanzige haargolf hing boven haar rechteroog. Zij schold op flirt en flikflooierij, op al dien glimp, dien wuften rommel, die schijnweelde. Voelde zij geen snars voor, al ging zij graag goed gekleed, wanneer het kon. Ten koste waarvan verkreeg Reintje al dien pronk van zijden kousen, flonkerende schoentjes, van fluweel, satijn en bont? O, zij zou nooit één bitter woord verwijt richten tot Reintje, zij, een wildvreemde... Bovendien, zij zou niet de teerhartige en deugdzame uithangen tegenover haar roekeloos zich vergooien. Maar zij wilde niet opgedirkt, opgeschilderd voor Uriël verschijnen, hoe goed en lief Reintje het ook meende. Zelfs haar glaskralen colliertje vond zij overdaad. Zij was arm en zij bleef het. Uriël moest haar nemen, zooals zij hem in het portaaltje ontmoet had... Zij walgde van schmink, begoochelingen en opsmuksels...
Reintje zat sprakeloos; keek gebluft. Haar bloedrood mondje hing open van verbazing en zij betastte haar eigen valsch-rozetintige lok-wangetjes... Ja, dat was weer de oude, onbewust-trotsche Rebecca, die zij verafgoodde... Rebecca in haar dóódsimpel, af gekaald, cieraadloos zwart japonnetje met wit kraagje. Maar zoo zacht-fier als een koningskind.
Plots begon uit de radio een wonderlijk-zoete en droeve stem te zingen.
— Tauber!... gilde Reintje wild... Tauber... fijn, heerlijk!...
Zij liet Rebecca los, smakte haar stoel omver en zwierde, halfnaakt, dansend door het kamertje. Zij dampte dikke wolken uit en gierde, alsof zij in den