420
Reintje had hetzelfde aalslanke figuur, dezelfde lengte als Rebecca. Alles moest Rebecca passen. De kleeren stonden haar om te zoenen,... schoot zij enthousiast uit. Reintje begon plots een beschermstersrol te spelen, goedhartig en overmoedig. Zij had behagen in haar eigen gulle vertroeteling. Och, snoezig stond Rebecca dat zwarte wollen jurkje met plooirokje. En kijk... dat zijden kraagje, geknipt. Voor geen blanke rad te koop... Of dit bleu-tricot deuxpièce... alles kwatsj ernaast. Gewoon beelderig, dat jumpertje met koperen
glimknoopjes. Nee...... nou dat koperkleurig suède
ceintuurtje er op... Of dit heele strakke rokje van bruin tweed?... En dit snoezige mantelpakje?... Jonge, over een maand... Die rok eronder, niet te kort, niet te
lang...... Och, kwatsj...... Dat moest ze dragen, dat
wandelpakje met witte crêpe de Chine blouse en met die losse jabot... fijn... fijn,... fijn steekt die uit het manteltje.
— En zoo'n kiep, meid... zoo'n hoedje, net 'n mate-
lotje, sdhuin...... niet te veel haar <Tr onderuit......
gekloft!... Mijn zilvervos en fijne zwarte glacé'tjes
met hooge kappen......tjonge...... sjiek......boven de
mouwen!...
Al meer sleurde zij los, Reintje.
— Of zóó iets, Bekkie... dat zwarte kanten japonnetje, als je uitspatsiert met Uriël... kwatsj? Maar nie fijn, die zilveren garneering... Néé, juist... heel lang mot de japon... en hoog in je taille... Zal je'm zien kijken... Toppunt! Wacht, die gouwe kralen om je nekkie... 'n prinses, meid!...
Zij beklaagde en verheerlijkte Rebecca. Zij schold zichzelf een echt kakelientje. Ze schimpte ״bekaf" ook op Uriël, dat hij zijn meisje niet in het goud zette... Kwatsj!
Toen barstte Rebecca los en stond zij kaarsrecht overeind. Minachtend keek zij neer op Reintje's paar-
Rad: rijksdaalder.