418
verder open. Zij stikte haast van benauwdheid en cigarettenwalm. Kwatsj!... Haar tengerspitse, blanke handjes beefden hevig. Een gouden, weerbarstige haarkrul wrong zij woedend terug in haar nek. Zij dacht ineen aan de twee verwaarloosde broertjes en aan haar eeuwig-dronken vader, dien vunzen huur-schuit, die alleen opleefde als hij jin rook en die er een zotte dronkemans-filosofie op nahield:
— Ikke? Ikke?... strompelden de woorden op zijn laffe tong... Ik hou de wacht bij me eige borrel, meid...
Daar blijf... blijf jij mit je jatjes af... Uch, uch... de maan die drinkt... de aarde die drinkt... de zon drinkt, de starre drinke... de blomme en de boomen... voorwat zal 'n mensch nié drinke? Pas op... maar... ik wil alleenig na huis... Pas op, meid...
Nog gisterenavond zwalkte hij op, laveloos. De kleine broertjes beefden. En nou dat weer met Rebecca......
Beteuterd luisterde Reintje naar het ingesmoord gekerm van Rebecca's stem...
— Ik mag hem niet hebben... Ik mag niet van mijn vader en hij mag niet van zijn vader!
Reintje wist in haar schrik en deernis niet wat te zeggen. Zij had de hevige uitbarsting en ineenzinking van Hereira gezien, alléén al bij het noemen van Uriël's naam. Kedin, zij was een gebrand niesse..., maar dién wreeden dag van Rebecca's bekentenis zou zij nooit vergeten! Zóó ontredderd, zoo grauw en vernietigd had zij den vromen ,,Ouwe" nog nimmer gezien. Zij dacht, dat hij stapelkrankjorem zou worden.
En ook nooit zulk een ontzetting in Rebecca......
Rebecca had, na Hereira's ineenzinking, alles met Reintje uitgesproken, omdat de meid zich voor haar dien dag zoo uitgesloofd had. Reintje wist wel hoe hevig Rebecca zelve door haar vader's wanhoop en smart geteisterd werd. Maar ook wist zij, hoe Rebecca
Ji!n: jenever (van het Engelsch: gin.) — Kedin: in orde. — Gebrand nissse: juffertje dat veel op haar kerfstok heeft