417
heid van Mordechai roemen. Vaders gezicht blonk stil van vroom geluk. Tegenwoordig kreunde Josua en zweeg......
Van al het innerlijk onheil in hem, was zij, zij
alléén oorzaak...... Ook Josua sprak niet meer over
een beschikking der Goddelijke Voorzienigheid.
Rebecca staarde het venster uit, op de zonnige sneeuwblinking. Zij wou niet huilen, maar haar oogen keken door betraande wimpers, als door gesmolten kristal.
Wispelturig Reintje stond paf. Een wrang-cynische ironie begon haar te steken. Een verveelde uitdrukking op haar mooi gezichtje, onthulde plots haar domheid. Ze verachtte dien Igmaniz, omdat hij geen smaak had. Menschen zonder smaak, haatte zij. En nou weer die smart over Puriem......
— Malle meid,... hoe ken je je eige nou zóó overstuur maken!... Toch allemaal poppekast!
Rebecca bleef strak staren naar het asphalt.
— Dat is toch allemaal uit de stokouwe doos, al die mesjokkene sprookjes... allemaal jen... reken maar!... Daar geloof je toch zeker geen snars meer van in je bovenhuis?... Van die Haman, met z'n tien behoje-bikkers van zonen!... Allemaal kwatsj!... Ze hebben je geflescht, meid!... Laat ze stikken in hun velletje!
Rebecca zweeg bedremmeld. Zij begreep niet eens wat voor mal, onverstaanbaar bargoensch en argot, wat voor scheldwoorden Reintje met dollen lust eruit gooide.
— Jij hebt nou toch je Uriël!
Rebecca sprong op en met gewurgde stem viel zij uit:
— Die heb ׳ik niét!......
Reintje trilde en woelde onbewust haar décolleté
Behojebikkers: pooiers.
27
Menschenharten.