415
krenkende pret, bestond niet meer, maar Esther's Rol bleef; de blijdsahap van Israël. De Hadassah-geschie-denis, de Esther-Rol, teeder en tragisch, zou onverwoestbaar zijn... ״Het geschiedde in de dagen van Ahasverus, Ahasverus die regeerde van Indië tot Ethiopië, over honderdzevenentwintig wingewesten......"
Bij dien beginzin al, onderdrukte Rebecca een snik en golfde er een wilde blijheid, een brandende vreugde in haar op......
De chocolade-ketel dampte en geurde. Josua's arme familie verscheen in de nog wintersche, vroeg-Maart-sche duisternis. Opgesmukte, luidruchtige clowns, gemaskerde mannen en vrouwen in jongenskleeren, Hamankloppers buiten de Snooge, doken niet meer óp om te plagen, te schertsen, met toespelingen op Baroech Mordechai, op Ahasverus zegelring en Aroer Haman. De, van geld rammelende, hei-gekleurde en houtgeurige Puriem-doosjes schenen uitverkocht. En ook liedjes klonken niet meer. Alleen oom Salomon zong nog wel eens, in goede bui:
— Goet Puriem... goet Puriem... mein liebe leit... Terwijl Sak en Truddie dan invielen:
— Weist ihr wohl was Poerim bedeit?...
— Bij jou,... snauwde Sak,... 't heele jaar sjikker en an Puriem nuchter......Waar kom je vandaan......
— Waar ik nog nie geweest bin,... gierde de verguisde.
Omdat Truddie altijd dwars tegen alles inging, beschimpte zij nü het kale, vergane en uitgestorvene van Puriem, terwijl zij vroeger-jaren nog harder schold op de ontucht, het gemeene, misdadige en de liederlijke zuiperij van de gemaskerde feestvierders.
Maar aldoor opnieuw hoorde Rebecca vader Josua verrukt vertellen van Esther en Mordechai; van de jubelende Snooge. Zij zag hem huilen van vreugde,