414
Ook Josua sprak somber-godvruchtig van den dertienden Adar, den uitroeiïngsdag der Joden; maar Esther's naam koesterde hij met een heiligen klank, bij het Meghila-lezen. Hadassah geurde hem toe als een zomerroos. En nooit deed hij mee aan den vloek-roep: Aroer Haman!
Rebecca had haar leven-lang gehunkerd naar Puriem, om de schuimende cainavalspret, de juichende verlossings-vreugde, die haar en vader, en, in gedachte, moeder omgolfde. Alle goéde Joden bleven dien dag in hun kring; zongen dartel, dol, uitgelaten. Rebecca, toén nog het bloesemende hart van Josua, — hoorde zang en boertige voordrachten. Zij zag in roes van spel en jolijt, onder een sprook-achtigen avondschijn, grillig-gemaskerde figuren, bang-vreemd-getooide mannen en vrouwen, heke-lend-overmoedig opduiken, de huiskamer indringen, en luidruchtige hansworsterijen volbrengen. Eten, drinken, kip en gebraad, vette zalm en glimmende boterbolussen, een troon van taart en gebak, werd hun vreugde-buit. Want alles was manoth voor de instormenden.
Vader Josua verhaalde van veel oudere Puriem-feesten, van jubelend Jodengeluk en Jodentrouw aan Eeuwige en Thora. Het vorige jaar had Igmaniz nog uit de verklaringen van Midrasch heerlijk, wonderlijk verteld. Als uit een droom doken zij op: Esther, de offeraarster, Mordechai, de zielsvrome, de dwepende, de grootmoedige geweldenaar Ahasverus en Haman, zoon van Hamdatha, de vloekgele Agagiet. En de woorden van Rabbi Simon Ben Jochai over Israël's rol, door Nebucadnezer's gouden beeld te aanbidden en aan te zitten bij Ahasverus'feestmaal, liet Igmaniz lichten van wijsheid, voor Josua en Rebecca......
Het donkere carnaval-rumoer met zijn opwindend geschreeuw en fladderende, ook wel wrange en
Meghila: Boek Esther, — Manoth: geschenken. — Midrasch: Bijbeluitleggingen, vooral uit moreel oogpunt.