413
Voor Josua was Puriem, ook in zijn edele armoe, lévende vreugdedag gebleven. Had Igmaniz het vorige jaar hem niet verteld, hoe Puriem in den Talmud een dag van groot gewicht werd genoemd; bijna zoo be-
teekenisvol als de Sinaïsche Wetgeving?...... Hij
murmelde ten halve de Rol Esther met een ontroerde zangstem, in trillenden ootmoed mee, en zijn verbeelding sterrelde gouden vuurtjes om de Hebreeuwsche woorden. Josua sidderde, verbleekte, bij den zwoelen gruwelnaam Haman. Hij sloeg zich woest op de borst. Hij rilde nog van den heeten smart-angst, dien Haman over de Joden had gebracht. Hij zag altijd wéér, wreede, wraakzieke Hamans leven. De Amalekiet, de afgodendienaar, met broeischen haat en zwart gif-bloed, die Mordechaï zou ombrengen, was nog niet dood en zonk niet weg, vernietigd door de opbrengst van de magatsieth hasjekel, klaagde Josua altijd. Uit ieder nieuw menschengeslacht dook een nieuwe Hamangestalte op; een monsterlijk verdelger en ver-doemer, op steenen paard. Een Haman, een laaiende verachter van Joden, om ze te teisteren, te slachten of te doen hangen.
Rebecca had alléén heugenis aan zonnige feest-verrukkingen. Aan bevallig-fiere Esther, de Maagdvan Suza, met de zwarte lokken en de tooverzachte stem; later, alleen aan de gemalin van een échten Ooster-schen, heidenschen Koning. Deze heldin met de glanzende haren, had Rebecca altijd vóór zich gezien als onbevreesde redster van haar volk; als ongenaaklijke afstrafster van den beul Haman. Rebecca zag lieflijke Hadassah, de zwartlokkige, in een kinderlijken ver-beeldingsdroom, op een troon van schittergoud, met eindelooze sterrenblinking boven het hoofd, in het Perzische Heerscherspaleis. Zij voelde zich, heel in stilte, verwant aan Esther's ingetogenheid en kuisch-heid, al wist zij zich veel laffer en bevreesder.
Magatsieth hasjekel: offer van. een halven sikkel.