412
was heelemaal geen ateliermeisje, geen bakvisch meer.
Maar zij óók niet! Toch bleef Rebecca met een zekere griezeligheid naar Reintje's zwaargeverfde wimpers en roetglanzige oogranden kijken. Gek vond zij het blauwig-zwarte opdonkeren tegen het
blondhelle haar......
Zacht sprak Rebecca, om af te leiden, onder het
lichtelijk streelen van een wenkbrauw......
— Over 'n paar dagen is 't Poerim!......
Reintje's oogen schimpten......
— Wat zou dat?... Allemaal kwatsj!
Het ketste onbarmhartig-nuchter van Reintje's bloedlippen.
Rebecca, die van alles dadelijk het natuurlijk-deugdzame proefde en de geringste zalving verafschuwde, begreep. Dit egoistische meisje, dat heelemaal instinctief handelde en sprak; met wie zij, als kind, wel eens koekoeksbloempjes had geplukt; dat nü veel rookte en wijn dronk en van haar eigene, misleidende betoovering overtuigd was, — kón onmogelijk beseffen hoe stralend-van-binnen vrome Josua zulke feesten vierde en onder welk gloeisel van paradijselijk hemellicht, hij 'savonds en 'smorgens vroeg al naar Snooge ging, om de Rol Esther te hooren voorlezen. Toch vertelde zij Reintje, die nu weer plotseling met een woesten ruk het venster dichttrok, iéts van den vroegeren Puriem.
Reintje in het verwilderde gezin, had een echt oud-Joodsch Lotenfeest nooit meegemaakt. Dat stuk woelwater, stuipachtig-vroolijk of somber-boosaardig, die één dag op korsten brood leefde, den anderen dag, sardines en caviaar snoepte, huilend van deernis, of hard en scherp als een spijker, verzorgde veel angst-valliger haar teint en haar krullende wimpers, dan Rebecca, vaders Heilige Boeken.