408
Waag-torentjes in de blauwe lucht dansen, op en neer... op en neer...
— Koop bij de baldoower van de mart,... nog vijf groote scholle en nog 'n handjevol... Wie maakt mijn los?......
hoorde hij een venter roepen. Toen viel Josua weer in elkaar, bewusteloos. In een gure kraam werd hij met water bijgebracht. Een vlaag wreed licht, tusschen tentzeilen en markt-doorgangen, rilde grauw over zijn ontzet gezicht, als van een paars lijk.
Tante Truddie meende: vast nie van Bekkie... zat in zijn gestel!... Het was voor Josua teugeswoordig
anpakke en dage telle!...... Hij kon zooveel klappen
krijgen van Sem als ie wou... Ja-ja,... onder 't najin van 't Opperwezen!...
Rebecca verlangde hartstochtelijk naar Uriël, ieder uur... Zij had niemand anders. Zij ademde zijn aanwezigheid als zomerlucht in. Hij stilde haar heimwee, haar gewetensknaging.
Over eenige dagen zou het Puriem zijn; het sprookjesachtig-gloeiende dankfeest, vreugdefeest en geschenkenfeest van Israël. Ieder jaar nog had zij dan koffie-met-kaneel voor zich verkneuterend vadertje gezet en de smulzieke familie met een ketel chocolade verrast; één dampenden reuzenketel. Oom Salomon wou er zich altijd in verdrinken...
— 'n Zoete dood, Bekkie... versta wèl,... zelfs voor 'n ageir!...
— Geregeld 'n badkuip!... beaamde tante Truddie. Dan slurpte zij en liet tantetje haar oogen onbekommerd wateren.
Sem Bullebak kookte van woede om oom Salomon's
gulzigheid. Wat 'n Papus! Pekaan!...... Hij stond te
peezen in de christenbuurten, met negotie; of zijn keel rauw te schreeuwen op de Zaterdagmarkten in de provincieplaatsen, en dié hongerlijjer zoop kim
Baldoower: woordvoerder. — Najin: oog, — Ageir: godloochenaar. — Pekaan: kijk eens aan; pak aan — Kim: lekker.