407
Daar het zoo akelig spande tusschen meneer Hereira en zijn dochter, wou zij er liever niet in Rebecca's keukentje over praten. Kon haar teere huidje niet verdragen!
Nu zat Rebecca éénhoog, op een smal, wankel, geelgebiesd stoeltje. Vreemd, alles zoo laag en zoo vlakbij,... de menschen, de huizen en de straat, wanneer je gewend bent van vierhoog op de dingen neer te zien.
De radio stond in. Rebecca luisterde verstrooid. Zij keek naar buiten; een klaar-zonnige Maartdag. Een groote hond blafte bij een steeg tegen een stomme heimachine. Blauwgelakte reclame-auto blonk van verre, als de hemel boven den Zuidertoren. Uit een loods raasde motorengeronk. Een hekserig wijf, met vuurpannen te koop, joedelde als een Tyroolsche. Overal lei nog nachtsneeuw, blank-hel of vermqd-derd. Rebecca dacht aan vader Josua. Zij snikte, onder herinneringen bedolven. O, die onheilsdag, het sdhrikmoment, toen zij vader bekende van Uriël. Zijn wurgende angstkreet! Zij raakte er, in haar zenuwachtige opgejaagdheid, niet van los. Hier, bij Reintje, kon zij tenminste uithuilen zonder door vader gehoord te worden. Al weken lang zweeg Josua. Hij verkromp van pijn; dat zag Rebecca. Vader Josua bekeek haar nauwelijks. Hij ademde in stilte en ongenaaklijkheid.
Hereira besefte ieder uur dieper, dat zijn kind niet meer voor hém bestond. Er gloeide iets in haar besmeurde oogen, dat hij er nooit in had gezien. Zijn leven bekeek hij fatalistisch, als de ómgoocheling van een bangen droom; een verdoemd wrochtsel van het wrange lot. Alles warrelde en wemelde rond zijn oogen. Vóór de Waag, op de Nieuwmarkt, vanmorgen, was hij neergesmakt. Een duizeling had hem gegrepen en weggeslingerd. Toen hij akelig overeind-strompelde, zag hij de scherp-uitgesneden, leien