ELFDE HOOFDSTUK.
I.
Rebecca zat stil-droomrig Reintje Plukker op-te-wachten. In het onheimelijke, schel-leege kamertje aan de straat, voelde Rebecca vage onheilsdreiging; vrees en verwondering, — erger dan boven, op het eigene vierhoog-verdiepinkje, bij verdroefd-zwijgenden vader Josua. Zij rook hier verontrustend-vreemde geuren en zij ontwaarde dwaze beeltenissen. Reintje had haar den vorigen avond, in het duistere burenportaaltje, schuw, fluisterend, gejaagd, maar ook een beetje smeeklijk gevraagd, of Rebecca morgenmiddag éven bij haar wilde inloopen. Er was niemand thuis. Zij moest Rebecca iets heel ״geks" vertellen, dat haar zéker zou verbazen. Rebecca bleef toch haar vertrouwelinge? Al van haar prilsten atelier-tijd, toen zij zelve van toeten noch blazen wist. Reintje sprak nog van bij „ons", op den winkel, alsof „de zaak" boven alles stond. Onnoozele Reintje zocht in die jaren alleen naar een „netten" jongen op de dancings. Haar zieke moeder hield een oog in het zeil; roojemde al haar doen en laten af en bedreigde Reintje om een haverklap met het Bestuur van de Vereeniging ter Bescherming van Joodsche Meisjes... Vond zij om te rillen... die neerbuigende weldoeners, die toespraken!...... Slechte
weg,... gemeen van inborst,... brr!
Later werkte Reintje op een lingerie-confectiefabriek. Tusschen brandend machinelawaai was zij de overmoedig-luidruchtigste snateraarster. Reintje praatte dwars door het helsche rumoer heen. Zij had Rebecca zelf verteld wat... Zij klapte alles van dit; alles van-die-en-van-die....... maar Rebecca luisterde
Roojemde: loerde af.