404
heelemaal de klem kwijt. Hij dacht nauwelijks meer aan Caro en haar Jonkheer met zijn stoïcijnschen haargroei en de kille, trotsche kou in het aristocratisch gezicht. Ach, die twee deden natuurlijk tóch wat ze wilden. Nu en dan wel het tegendeel van het tegendeel... om modern te zijn. Maar het raakte hem niet meer. Wilde zij met den Jonkheer Katholiek worden,... moest zij zelve weten. Henri meende: een mensch kon innerlijk niét veranderen; wél van uiterlijk geloof, maar niet van binnenste natuur! Geloof kon van buiten af misschien naar het innerlijk toegroeien. Maar van binnenuit kon het niet naar buiten breken. Want met je bloed, met je merg, met je zenuwen, met je hart en je hersenen zat je vast aan d'omgeving waaruit je levend opwies... Rozenheim vermocht het niet anders in te denken. Zijn kop stond er nu niet naalr, in de gruwelijke crisis, om dat allemaal haarfijn uit te pluizen. Toch moest hij zelf erkennen, dat toendertijd heele volkeren van geloof veranderd waren. Mil-lioenen en millioenen menschen! Waarom dan óók niet een enkeling? Ja, het was duivelsch, duivelsch, al wat er geschiedde, hoe hij ook wrong en worstelde.
Kregel ontsprong Henri dit doellooze gemijmer. Alles moest maar loopen zooals het wilde. Nederlaag op nederlaag trof hem. Het kon toch niet erger dan de kop eraf!... Zijn minnelijke kinderen, die van het Joodsche wegdoolden; afbrokkeling en vernietiging van zijn heele zaak. En nu, in Uriël, zijn persoonlijke trots en eer geknakt...
Hij hoorde slechts één woord zuigend zijn oor in-druischen: ondergang! Afbrokkeling en ondergang van zijn maatschappelijke positie; ondergang van zijn persoonlijke macht en gezag; verkwijning van zijn bezit in het volle sop!... Dat was geen melancholie, geen depressie, geen pessimisme, maar naakt waar! Straatarm zou hij worden!...