IV.
403
Hen» was eenzelvig blijven grommen in de kamer. Na-onweer in zijn hoofd. Die vlegel, die lapzalverige kletser van een Uriël, die zoo graag op een papieren
zoldertje wilde huppelen...... Maar als hij erdóór
zakte,... daarom nog niet in een spinneweb zou blijven hangen, zooals het fabeltje wou. Moest dat baasje, dat het gevaar zag klemmen en steigeren, niet tegen eigen roekelooze en waanzinnige romantiek beschermd worden, of kon Henri al die gekheid zoo maar laten invreten en voortwoekeren? Waar moest Uriël naar toe, zonder hem en Mama? Och,... die erin is, moet erdoor... Zoo stijfkoppig was de kerel wel, die vaak handelde tusschen mal en dwaas. Dwingen kon hij de toestanden tóch niet!
Henri Rozenheim bemerkte tot zijn verbazing, dat de gedachte aan het lieve dochtertje van Judith hem
telkens weer vastgreep en groeide, groeide! Héé......
leek zij zooveel op hem? Och, wanneer zij hem in al zijn woede en bokachtigheid tegen Uriël had gehoord en gezien, vandaag, hoe wild zij in elkaar haperden!... zij zou het niet begeer en en zich voor een gelijkenis schamen!... Maar... maar Uriël had het toch zelf verklaard. Dan moest zij ook sprekend haar moeder zijn... Henri's hart jeukte ervan. Want in hun jeugd beweerden alle menschen, die onverwachts broer en zuster ontmoetten: Henri en Judith,... één gezicht.
Rozenheim voelde zich heerlijk opgelucht, dat hij nu zoo-maar, zonder wrok en zelfmisleiding, weer aan Judith durfde denken; zonder angstschok en huivering. En zoo met ldéfde haar naam kon uitspreken, ondanks gedachten aan zijn verwarring en rampspoed. Hij voelde zich veel rustiger. Zijn hersens draaiden en maalden niet zoo volgepropt dóór! Hij was dus nog niet