401
dat Uriël hem zou doorzien en brandmerken......
Op het schelle krakeel kwam Esther instormen met Maggie.
Uriël stond hard, wankelloos en fel-vertoornd tegen Henri's schimpenden trots, en Rozenheim geraakte al meer buiten zichzelf.
Esther troonde Uriël mee met paaiende praatjes. Zij sidderde voor dit conflict tusschen vader en zoon.
Maggie duwde hem ruw de kamer uit. Uriël walgde van al dat gemodder... nu tooverschijn van vroeger verbleekte.
Esther fluisterde:
— Later verder en meer, jongen... Het ergste wéét Papa nu toch al... Hij is al zoo overstuur, om alles...
Dat vond Esther eigenlijk het voornaamste Uriël moest wat variatie toelaten in het compas...
In de hall hoorde Maggie wat er gebeurde met Uriël en met Caro. Zij danste en jubelde, onder hinniklach jes, wild naar Bob en naar Eg...
— Uriël gaat zich verloven met Rebecca.
Bob onnoozel:
— Wat? Wie?...
— Een nichtje van ons... We hebben haar nog nooit gezien.
Bob wist van toeten noch blazen; had nog nooit iemand over dat nichtje hooren spreken. Hij vroeg niet meer; vreesde Maggie's onstuimige luchthartigheid.
Eg stond versteld en besloot snel iets. Met verwaand-gemaakte stem kefte zij:
— Als dat juffertje hier in huis komt, zal ze 't goed bij me hebben!
Haar stem snerpte en zij oversnauwde zichzelve. Een eendere kwelgedachte ging ook in Maggie om. Oom Josua zag Maggie als een soort van Joodsch parasietje of jeukerig kletsrebbetje; zoo muf-zelfge-noegzaam als een vergeten taart. Zij zou alles straks,
28
Mensehenharten.