396
driest en dreigender aan te klagen; brak er een aasje kwellende verootmoediging door. Maar tegelijkertijd bevocht Henri zijn eigen geëxalteerd week en sentimenteel gezwalk van binnen. Wat?... Was hij nu zóó afgetobd, zenuwziek en ellendig, dat hij in stilte zélf toegaf, Judith gemeen te hebben behandeld? Hij, de humanitaire, de machtige weldoener van vroeger, overal geëerd en erkend! Hij, Don Quichottisch-gul en hulpvaardig... Was hij bovendien ook niet door haar hevig gekwetst in zijn ijdelheid, in zijn baasspelerij en beschermings-vertoon? Waagde Judith niet indertijd dat minne Portugeesje, Hereira, boven zijn discreten raad, zijn kennis en inzicht te stellen? Absurd, absurd!... Maar had hij zich niet zelf laten meeslepen door zijn afschuw van het kleffe, vrome mannetje uit de Zanddwarsstraat?
Voor het éérst eigenlijk, in al die jaren van afkeer en haat, erkende Henri heimelijk zichzelf, Judith heel gemeen te hebben behandeld. Dat had, van zijn kinderen, zoon Uriël met zijn peinzende neiging, al het scherpst doorzien. Uriël dacht en voelde heel anders dan hij. Die zag dikwijls de werkelijkheid veel minder fantastisch en zonder zelfmisleiding. De jongen kon verbluffend-strak, zakelijk en kort zijn. Hij had iets nijpend-fanatieks, waar zijn woordenpraal op afsplin-terde. Die snotaap oefende op hem, op heel zijn superieur Ik, een soort van gewetensdwang uit... Geen schendende ontrafelingen, als Leo, gaf hij; maar naakte, bijtende feiten, waarachter verbeten droefgeestigheid. Uriël minde de bondigheid, het saamge-drongene, en haatte het spitszinnige en juridisch-omslachtige van Leo...
Ja, Uriël had hem gehoond, op zijn feestdag; had hem gekrenkt in zijn hoogen trots, in zijn macht en vaderschap. Maar tegelijkertijd zijn geweten opengescheurd. Gul en met toegeeflijke genegenheid, erkende