394
het laatste jaar, tusschen Papa en hem, wanneer zij twistten over mensch en maatschappij, en als Tille-ma er zich mee bemoeide, werd Henri zelfs heel grof. Tillema sprak er dan tegenin over wind, zee en wolken, en van het diep-gedoken woord, zoo zoet, als de stem van Gezelle's luisterende ziel zelve gezongen heeft...
Nu zou Uriël Papa het gebeuren met Rebecca vertellen... Verzette zich Papa, dan moest er iets ellendigs gebeuren; iets ergers dan verwarring. Want Uriël zou Rebecca voor niets ter wereld opgeven. Uriël, midden in zijn studie, bezat zelf geen rooie sou. Hij bleef heelemaal van Papa afhankelijk. Hij zou zónder vader's steun tuimelen; geen cent weten te verdienen. Het zou zeker een krankzinnige toestand worden, een hoonende verbittering en verwijdering aan twee kanten. Voor ascese en zelfmoord voelde hij geen snars, maar voor Rebecca zou hij alles aanvaarden,... hoe dwaas het ook scheen.
Uriël begon beschroomd, aarzelend te spreken van zijn eenzaam verlangen; van zijn zwerven door de stad en door alle wijken. Hij sprak van het leege, onvoldane van studie alléén en van het verscheurde in eigen wezen. Het scheen hem meer dan een nieuw vormbewustzijn alleen. Hij hunkerde naar een heel nieuw levensinzicht. Dat was, Papa begreep hem wel, dat andere, dat verblindende voor alle jongeren. Uriël verzweeg wat hij nu, in zijn liefde voor Rebecca, voelde bij het zien van een rooden avondhemel boven verre stadstorens. Wat hij beleefde bij de gedachte aan het innerlijkst-religieuze en het diepst-sociale. Hij verachtte niet het oudere, alleen het ouderwetsche... In het oud-groote was het eeuwige, zooals het ook zou verschijnen in het nieuw-groote.
Eindelijk biechtte Uriël zijn ontmoeting met Rebecca in de Zanddwarsstraat...