TIENDE HOOFDSTUK.
I.
Verveeld, gejaagd, somber, alsof hij iets misdreven had, kwam Henri Rozenheim thuis, at snel en zwijgend en was voor niemand meer te spreken. Den heelen avond zat hij op zijn werkkamer, hard in oordeel over anderen en lankmoedig over zichzelf. Vreemde stilte dreigde er. Ontsprong aan zijn onzichtbaren, grooten angst voor ondergang. Hij verdook in eigen rookwolken. Hij hoorde Leo in de bovengang, uit Heine's ״Buch der Lieder" hatelijk-persifleerend declameeren... Wat een vent! Voor het eerst voelde Henri een dóór-vretenden afschuw tegen zijn koud-sarcastischen, zelf zuchtigen zoon.
Toen Esther in kwam, met heimelijke gloedoogen, de oloemkelkachtig-blanke handjes tegen den slaap, begreep Henri dat zij van Caro en Jonkheer D'Ancona reeds alles wist. Hij wilde haar inzicht niet buitensluiten. Maar bij zijn vrouw woog het geval niet zoo zwaar. Rozenheim bleef diep gekrenkt in zijn nukkigen vadertrots, wijl Caro weigerde af te studeeren, het ,,ongenakelijke" meisje bukte voor Jonkheer's wil en zijn wensch niet meer meetelde...
Henri neep de oogen dicht. Vond hij heerlijk, te staren in een kleurig en flitsend duister. Ja, hij zou het toch heel fijn gevonden hebben, bekende hij zichzelf,... zijn dochter, doctor; zij, met haar aangeboren scherp verstand en onomstootelijkheid. Ook Esther had het wel stilletjes gehoopt. Maar veel onmensche-lijker conflict wachtte haar man. Veel erger dan deze heldinnen-houding van Caro. O, het brandde op haar tong. Er kromp iets heel bangs in Esther saam. Zij
25
Menschenharten.