383
Lichtvleugelige meeuwen wemelden wit, al witter, in sneeuw-glanzige zwermen boven het groengrauwe watertje en de Weesperstraatbrug, of vóór de ontzaglijke vensters van het Clubgebouw. Roodgele pootjes en oranjeachtige snebjes doorspikkelden de wintergrauwe ruimte.
— Ze vliegen als maar boven de kusten van de
Nieuwe Achtergracht, meneer Rozeheim...... Ze
houwen van de Club...... Ze ruiken de gebakken
kuitjes,... spotte Joost Ouderkerk.
Zijn neus ronkte fel.
Buiten kniesde de middag al valer, geheimzinniger en grijzer. Henri dacht aan eigen benauwingen. Nu eerst overzag hij de enorme Beurszaak Geloop of bijeenklontering van werkelooze Clublui; zonder een cent handel. Ontzaglijke wolkgordijnen van sigarenrook, zweefden tusschen donkerende lichamen; zwalkende damp, door heftige menschen-gebaren aan flarden gerukt. Henri keek verbaasd óp naar de bronzen kronen. Vroeger tjinkelden hier kristallen hangers óm den kroonrand, vertelde Joost Ouderkerk, alweer, alsof hij Henri's gedachten telkens raadde. Prachtig jomtof-geflonker tegen den avond, als de zon erin joolde... Nu hing er alleen een groote, melkwit-naakte bol.
Vroeger was alles anders in de zaal. Meneer Rozen-heim kende de lévende Beurs niet; het lévende, uit-stroomende rumoer, de warreling, den verzetgeest, de handelskoorts; heerlijk-gezellig!... Dan ging je eerst heelemaal óp in verronselde affaires! Nu, lijzig ge-
slenter, verveling, angst, gekijf, gedol...... Een
pisdooie, drentelende, trage massa. Soezie Ras had gelijk,... de neterig-kale zaal geleek een groot, gonzend metare-huis...
In alle kringen barstte dezelfde ziedende of ver-
Metare-huis: lijkenhuis.