381
gillende hamerslag. Hij bonkte den dikken knuist met geweld op het tafeltje. Henri ontstelde even en zag in het nijdig-verwrongen bakkes van Maupie Ijzersteen, een totaal-verarmd edelsteen-sjacheraartje.
Joost Ouderkerk kende Maupie's alles-verbrijze-lende mond-opstandigheid. Zijn zwager was befaamd communist. Daarom liet Ijzersteen de haren groeien. Een andere zwager van Maupie was een bekend Joodsch schilder, Louis Ravons. Hij schilderde watervallen van vloeiend zilver of roode ochtenden. Heel knap, zei men. Toch was hij een reuzen-versjwarster-nar. Van dien schilder zijn vrouw, — licht-vlinderend schepseltje, — werd eens kwaad gesproken in tegenwoordigheid van dweepzieken Ravons zélf. Toen sprong de ״reuzen-versjwarsternar" op, zwaaide, geschrikt van zijn eigen manhaftigheid, bloedgierig de handen en riep:
— Wee, die 't waagt van me vrouw slecht te spreken!... Wee... wee!... Die hoeft me niet meer an te kijken!... Wee, wee, die kwaad van haar spreekt,... die mag vergeten, waar ik woon... Ik zeg u allemaal mijn vrouw, mijn vrouw is 'n géntleman!...
Joost Ouderkerk onthulde ieder's geheim. Er klonk hel lachgegier en rumoer.
— O, o, die schilder Louis Ravons!...... Maar
schildert zijn vrouw niet ook?...
Droog pestte Ouderkerk voort, met rol-oogen:
— Natuurlijk,... maar alleenig wangen en lippen!
— Is zij niet nog familie van die gróóte advocaat van heel vroeger?...
Ouderkerk triomfeerde. De oogen rolden trots......
Hij alleen was vraagbaak. Wist het jonge geslacht veel!
— Familie van?... Even haperde zijn geheugen...
Van...... van meester Bejaume Kool, die altijd 'n
monocle droeg...