380
— Och kom?
— Ja, maar verekskuzeer voor alle zekerheid......
Met Bos speelt ie schaak en met Lasker biljart......
Henri lachte. Droge Ouderkerk vervolgde, onvermurwbaar. Wranger snuffelde en stootte zijn neus en de oogen rolden al woester...
— Zijn vader was juwelier Springer, u weet wel,...
van 't Kippegrachie,...... die Bimbo, die altijd heeft
gezegd... jullie Joden kénne niks... jullie kenne niet werke... Weet u nog?... Ze kenne niks, de jidden!... Hij vertrouwde ze nooit één steentje toe... Geen ééne Jood kon 'n spie aan 'm verdienen. Alles alleen voor Christene werklieden... Op 'n keer kwam er wéér een Joodsche werkman bij hem, een echte brutale guit... En die vroeg hem, zoo langs zijn neus weg...
— Meneer Springer,... kenne wij Joden heelemaal niks?...
— Nee... nee... niks!... Jode binne geen werkmenschen...
— Maar één ding kenne we toch wél, meneer Springer...
Halsstarrig snauwde de juwelier terug:
— Nee, néé!...
— Eén ding toch wél,... wat de Christenen niét kennen...
— Zoo-zoo, zei Springer.
En nieuwsgierig vroeg hij:
— Wat dan wél?...
Dc gekrenkte werkman barstte los:
— Sjeimes over jou en je heele mispoge zegge, gróóte frotterhaurik, gazzeroor, die ze eigen volk belaagt!......
Hoongelach klonk alom.
— Ja, ze late daar ganzebord met zich spelen, de werkmans van tegenwoordig!...
Maupie Ijzersteen sprak. Zijn stem klonk als een
Sjeimes: gebed bij een stervende. — Mispoge: familie.