379
tijen ingekeken,... met zijn kippig pésjsmoel... vlak óp 't mooiste goed. Hij was vroeger toch zoo erg bijziende, zei ie altoos?... Natuurlijk, hij was vreeselijk
kippig, Moro!...... Daarom kwam hij met zijn gezicht
als dichter op de diamant, die hij inzag... Niemand had ooit erg!... Maar met 'n snelle manoeuvre wist
ie met zijn tong 't platste goed óp te likken......
casjuweel...... uit de partijbrief!...... Niemand heeft
't gemerkt... Heeft ie natuurlijk jaren en jaren lang gedaan, eer ze 'm gesnapt hebben!...
In Henri's diepe oogen glom een daemonische schijn. Rondom klonk giftig gevloek.
— Potsige meneer!
— Die schoelje!...
— Vuile dief...
— Zoo'n bloedhond!
— Ze moesten die kwant naar 't VreemdelingenLegioen sturen!
— De grappenmaker die 'm snapte heeft ie natuurlijk dik afgekocht,... wel tienmaal de waarde van z'n likker ij...
— Ze moesten 'm staande in z'n graf stampe...
Uit een slentergroep dook een jongeman op, met
lichtblauw pak en lichtgrijzen hoed, zeer opzichtig in de kou......
— Wie dat is meneer Rozenheim?... viel Ouderkerk bij... Ken u die niet?... Bij u, op kantoor komt toch alles?...
— Right... maar ik help nooit. Dat jonge goed ken ik niet...
O, 'n heele beste jongen, 'n tobber...... Ouderkerk
brak af... Héé?... Kijk's die meeuw... die niest onder 't vliegen... de vliegende nies!... Iets voor Moro... wat meneer Rozenheim?... Ja, die daar,... 'n beste jongen... een groot schaker en even groot biljarter... Hij wint van Lasker en van Arie Bos!