378
Henri voelde voor weerbarstig en Dimdal. Hij kende dien rijken Parijzenaar heel goed, met zijn zoet-verleidelijken Adolf Menjou-glimlach. Dimdal was de sluwste en machtigste diamantair van Frankrijk, maar zeer gevaarlijk. In den handel stond hij voor ieder bedrag, maar ook voor ieder bedrog! Dimdal, vol luchtige parijzenarij, zocht zijn prooi in Montparnasse, zoo goed als onder Senaatslieden.
Ouderkerk rolde wild de oogen...
— Toch was die Jaak Snoek 'n bloedeigen neef van
die pestlui van Marken, juweliers Waterman......
Schatgravers meneer!...... Hun moeder gaf les in
onvervalscht jiddisch. De rijkgeworden péstzoons verbeterden hun moeder altijd.
Henri wist; knikte.
— Moeder,... snauwden ze,... spreek toch niet zoo schandalig-slecht! Spreekt u toch niet altoos van
״kees", maar zeg u kaas!...... Het is kaas, kaas,
kaaaaas!
Den volgenden dag riep Mevrouw׳-de־weduwe den huisknecht van haar oudsten zoon:
— Kaas... kom es effetjes hier!
Kees wist niet wat hij hoorde, bleef beteuterd staan en werd van schrik kaas!...
Ouderkerk's oogen rolden onrustbarend. Hij raakte driftiger op dreef. Dreigend vroeg hij Henri:
— Weet ü wat dat fijne lid Manus Moro gedaan heeft, twintig jaar geleden, in Antwerpen, meneer Rozenheim?... U weet toch alles van 't koken... als de beste kok...
Henri ontstelde. Hij beheerschte zich, keek met de violet-zwarte oogen, streng-trots over Ouderkerk heen
en schudde kalm-ontkennend het hoofd. Moro?......
Moro?......
— Niet?... Een zoetertje!... Die heeft groote par